Gedragsregels voor kernafval

Dat het afval van kernsplijting door zijn stralingsgiftigheid een probleem vormt voor de gezondheid van mensen, nu en in de toekomst, is lang geleden onderkend. Duizend jaar wordt die giftigheid door het radioactief verval van splijtingsprodukten bepaald en dan nog eens tien miljoen jaar lang door het verval van transuranen. Sinds de eerste internationale conferentie over de afvalbehandeling, die in 1955 plaats vond, is men het er over eens dat het afval zou moeten worden vastgelegd in lekdichte materialen en vervolgens ondergebracht in diepe gesteenten. De realisatie van deze behandeling is echter niet eenvoudig gebleken.

'Het afvalprobleem is opgelost', zeggen technici. 'Het afvalprobleem is niet opgelost', zeggen de bestuurders. De eersten kunnen wijzen op een aantal methoden die ze intussen hebben ontwikkeld, met name op de insmelting van kernsplijtingsafval in borosilicaatglas, en op enkele mijnbouwkundige en geologische onderzoekingen van diepe gesteenten, die aannemelijk maken dat een veilige berging mogelijk is. De anderen kunnen wijzen op slordigheden en besmettingen van het milieu bij de afvalbehandeling en op institutionele belemmeringen voor de berging in geselecteerde geologische formaties, zodat daar tot de dag van vandaag nog niets van gekomen is.

Het is opvallend dat de Nederlandse overheid weliswaar de studie van een eventuele berging in steenzout bevordert, maar niet een besluit daartoe voorbereidt in een wetsvoorstel met regels, lokaties en tijdstippen, zoals de Amerikaanse overheid heeft gedaan met de Nuclear Waste Policy Act van 1983. Men moet hier echter aan toevoegen dat de Nederlandse overheid intussen wel een organisatie en een lokatie voor de tijdelijke opslag (COVRA) heeft geregeld.

Zonder twijfel is er nog een technische problematiek, die de uitspraak 'Het afvalprobleem is opgelost' loochent. Om die problematiek werkelijk, en niet alleen in principe, op te kunnen lossen moeten de regels bekend zijn waaraan de vastgelegde en later te bergen stoffen moeten voldoen. Deze regels zijn in discussie en ze staan momenteel niet echt vast. Echter, naarmate de bestuurlijke regelingen toenemen in aantal en beter kunnen worden uitgevoerd, wordt ook de uitspraak 'Het afvalprobleem is niet opgelost' meer geloochend. Wij leven in de boeiende tijd waarin regels tot stand komen voor de oplossing van een geheel nieuw probleem.

Wat is het nieuwe? Dat wij door de kernsplijting ten behoeve van onze welvaart afvalstoffen nalaten die tot in de verre toekomst voor het menselijk leven een gevaar op kunnen leveren. Men kan tegenwerpen dat dit ook geldt voor sommige afvalstoffen van onze chemische industrie en dat het dus geen nieuw probleem is. Het antwoord daarop is, dat het kernafval dan model staat voor alle afvalstoffen met een vergiftigend vermogen die we nu maken.

Verder kan men tegenwerpen dat wij met de afvalstoffen van mensen uit het verleden leven, misschien niet veel, maar ook niet geheel zonder gevaar, zodat het probleem al lang bestaat. Hierop is het antwoord, dat boven een zekere drempel kwantiteit omslaat in kwaliteit, wat logisch aanvechtbaar, maar praktisch heel erg waar is. De vuile grond van Lekkerkerk was geen probleem om er op te bouwen, en werd het toen wij met een vergrote kennis na de bouw drempelwaarden vast gingen stellen.

Ten slotte kan men tegenwerpen dat in de natuur, door natuurlijke splijtingsprocessen in uraniumerts van lang geleden, splijtingsafval en ook plutonium bij duizenden kilo's tegelijk voorkomt, die voor de mensen van de streek (Oklo, Gabon) kennelijk geen gevaar oplevert. Daarop kunnen twee dingen terug worden gezegd. We hebben het over regels voor menselijke activiteiten, niet over het gevarenpotentieel van onze natuurlijke omgeving. En het staat nog te bezien of de streekbewoners geen gevaar zouden lopen als ze zonder voorzorgen in dit deels verspleten erts zouden gaan graven.

Ontkenningen van de nieuwheid van het probleem wijzen op het bijzondere karakter van de regels. De oplossingen die ze vastleggen gelden immers niet alleen voor ons, maar ook voor mensen in de toekomst. Met welk recht kunnen wij zeggen: zo en zo moet het kernafval worden behandeld, terwijl we de eventuele slechte gevolgen daarvan op de lange termijn niet zelf zullen ondergaan? Anders gezegd: met welk reeht leggen we onze regels op aan het nageslacht?

In een amendement van de Environmental Protection Agency van 1985 op de genoemde Nuclear Waste Policy Act wordt de regel voorgesteld dat de berging van kernafval zodanig moet zijn dat er ten hoogste een kans is van 1/10 op 1000 doden door kanker in 10.000 jaar en ten hoogste een kans van 1/1000 op 10.000 doden in 10.000 jaar. Als we kijken naar andere oorzaken van kanker en naar de tegenwoordige sterfte door kanker, kunnen we deze regel zeker aanvaardbaar achten, zo extreem laag zijn de getallen. Maar of ze laag zijn of niet, dat moeten toch ook de toekomstige mensen die het aangaat beoordelen?

Het ethische probleem achter deze vragen kan als volgt worden benaderd. Laten we enkele gelijkheidsideeŽn volgen uit onze westerse cultuur, met name die van Kant. Het eerste idee dat we tegenkomen is: 'Handel zodanig als je wilt dat anderen zouden handelen.' Ook al leidt dit idee niet tot een feitelijke gedragsregel (want heersers handelen anders dan overheersten), toch geldt hij als een norm waarmee bijvoorbeeld de toepassing van apartheid in Zuid-Afrika wordt beoordeeld.

Maar hij geldt niet voor ons probleem, omdat de wederkerigheid ontbreekt. Mijn handelen heeft gevolgen voor anderen die, daarop reagerend, handelen met gevolgen voor mij; zo stel ik mijn handelen af op gevolgen die in wederkerigheid mezelf treffen en die ik aanvaard (of soms wens). De anderen zijn in ons probleem echter anderen die later leven en ons niet meer kunnen treffen.

Daarom ontwikkelen we uit het eerste idee een tweede: 'Handel zodanig dat de gevolgen voor mensen in de toekomst aanvaardbaar zijn.' Dit idee heeft als moeilijkheid dat niet de anderen, maar ik zelf bepaal wat aanvaardbaar is. We kunnen deze moeilijkheid oplossen door twee stellingen te bewijzen of, beter gezegd, aannemelijk te maken. De eerste is: 'Mijn gedragsregels zijn onze gedragsregels.' De tweede is: 'Onze gedragsregels zijn hun gedragsregels', waarbij met 'hun' gedoeld wordt op de toekomstige mensen. Een herformulering van de eerste stelling is: 'Handel in overeenstemming met de wet', wat nogal legalistisch klinkt en wenkbrauwen doet fronsen. We zullen haar daarom nader bespreken.

De private moraal, die leidt tot een regel als 'Handel zodanig als je wilt dat anderen zouden handelen', kan niet de grondslag voor rechtsregels zijn. Zij bepaalt alleen hoe de enkeling tegenover het recht dient te staan en zegt niet wat het recht is. 'Achtung fürs Gesetz', zoals Kant dat noemt, betekent respect voor elke wet die als recht kan gelden. Het publieke recht heeft weinig te maken met morele opvattingen van de enkeling over het goede. Het komt tot stand in een politieke discussie, waarin de opvattingen van enkelingen wel een rol spelen maar die wordt uitbesteed bij een wetgever. In onze samenleving is dat de gekozen volksvertegenwoordiging. Deze maakt een systeem van wetten voor handelingen in de samenleving, wat politieke keuzen impliceert.

Dat er soms een gespannen verhouding bestaat tussen publiek recht en private moraal mag bekend zijn. Het is echter duidelijk dat 'Achtung fürs Gesetz' de enige morele regel is die voor de behandeling van kernafval kan gelden. Dit afval is een publieke zaak, geen privé-aangelegenheid. Mocht er een wet komen zoals voorgesteld in de Nuclear Waste Policy Act, met amendementen over een maximale belasting van de samenleving, dan bepaalt die mijn en ieders gedragsregels. Tot zover de eerste stelling.

Met de tweede stelling overschrijden we de grens tussen nu en toekomst: 'Onze gedragsregels zijn hun gedragsregels.' Om dit toe te spitsen in termen van het bovenstaande: ons recht is hun recht. Kan deze stelling duizend jaar en langer worden volgehouden? Is ons recht gelijk aan het Romeinse recht? Enigszins, maar toch wel wat anders. Zij kan alleen maar worden volgehouden als er een element van flexibiliteit in zit. We moeten voorzien in de mogelijkheid dat hun recht wat anders is dan het onze.

Daarom zoeken we naar een herformulering van de tweede stelling die een verzachting inhoudt: 'Handel zodanig dat de gevolgen (van onze wetgeving) zo nodig verder beperkt kunnen worden.' Voor de praktijk betekent dit dat het afval zodanig moet worden geborgen dat bewaking en onderhoud niet nodig zijn, maar tegelijk niet onmogelijk, zodat latere mensen een betere insluiting kunnen maken indien ze dat zouden wensen.

Zo komen we, met behulp van gelijkheidsideeŽn uit onze cultuur, tot een praktische gedragsregel met een technisch zware opgave. Misschien is dit het beste dat wij ons nageslacht te bieden hebben. Maar ik blijf met het ongemakkelijke gevoel zitten dat mensen in de verre toekomst met een last moeten leven, hoe licht dan ook, waar voor hen waarschijnlijk niets tegenover staat.


Free web hostingWeb hosting