De elektriciteitsvoorziening

Deze reeks perspectieven, zo maar wat academische doorkijkjes op energieland en in de loop van een jaar door een nieuwe bril ook minder nucleair gefocust dan de opzet was - deze reeks moet uitlopen in een panorama van de elektriciteitsvoorziening. Dat is immers mijn leeropdracht. Echter, zo eenvoudig het was om iets wetenschappelijks te noteren als het om facetten gaat, zo moeilijk is dat als het geheel, de elektriciteitsvoorziening, in het oog wordt gevat. Hoe zagen de voorgangers het?

'Evenals overal elders dringt ook ten onzent de toepassing der electriciteit steeds dieper in alle gelederen der samenleving door en nauwelijks kan men zich voorstellen, welke catastrophale toestand zou intreden, indien zelfs maar voor korten tijd de stroomvoorziening van een stad of een gewest onderbroken zou worden. Niet alleen dat het tram-, ja in sommige gevallen zelfs het treinverkeer geheel zou worden stopgezet, ook de industrie zou practisch geheel worden stilgelegd. Voorts zou in tal van plaatsen de drinkwatervoorziening ernstig in gevaar komen, de rioolbemaling en daarmede de zuivering der bewoonde gebieden buiten werking moeten worden gesteld, het bedrijf in de ziekenhuizen en gestichten ernstig worden belemmerd, zoo niet onmogelijk gemaakt, de openbare verlichting alsmede die van onze woningen komen te ontbreken.'

Met deze woorden maakte J.C. van Staveren in 1930 het belang duidelijk van de elektriciteitsvoorziening en van de leeropdracht die hij toen aanvaardde. Met de volgende evenzeer barokke regels die hierop aansluiten, komt hij tot het probleem dat zijn grootste aandacht zou krijgen: 'Ik wil dit zwarte schrikbeeld thans niet verder vervolgen, maar u slechts wijzen op het feit, dat het bestaan dezer mogelijkheden een gevolg is van een der voornaamste omstandigheden, waarop onze hedendaagsche electriciteitsvoorziening berust, namelijk dat in de concentratie der electriciteitsproductie zulke groote besparingen zijn gelegen. Ware dit niet zoo, en zou het elken individueelen verbruiker evengoed mogelijk zijn de door hem benoodigde energie - bijvoorbeeld met behulp van een kleine draagbare atoom-energie-centrale - zelf op te wekken, dan zou van een openbare electriciteitsvoorziening geen sprake wezen en dus ook haar kwetsbaarheid geen probleem vormen'.

Hij schetst dan het hoogspanningsnet dat de centrales moet gaan verbinden, zodat het uitvallen van één of meer daarvan de voorziening niet zal onderbreken. Hij voorziet elektriciteitstransport over grote afstanden: 'Bedriegen de voortekenen niet, dan zijn deze en andere dergelijke lijnen nog slechts voorlopers van veel machtiger energiebanen, welke zich binnen afzienbaren tijd over Europa zullen uitstrekken. Plannen voor de kruising van de Sont en de Belts met hooge masten voor lijnen van 380 kV en voor de doorsnijding van het Skagerrak met kabels voor 100 à 130 kV worden met onverflauwden ijver uitgewerkt. Ook Nederland lette op zijn zaak.'

Met deze visie kunnen we een eeuw toe. Ook voor J. Bekink, die hem in 1965 opvolgde, stond het transportnet centraal in de elektriciteitsvoorziening. Hij vond alleen dat het anders opgezet moest worden: 'Het vermijden van de moeilijkheden die bij wisselstroomverbindingen door de optredende laadstroom worden veroorzaakt, doet de overdracht van grote vermogens met gelijkstroom veelbelovend schijnen. Aangezien voor de produktie de toepassing van wisselstroom onvermijdelijk is, is de omzetting van wisselstroom in gelijkstroom noodzakelijk. Voor die omzetting komen alleen ventielen in aanmerking die elke periode opnieuw in- en uitschakelen. Hiervoor blijken bestuurbare halfgeleiderventielen, de thyristors, geschikt (...) die thans in speciale fabrieken in massa vervaardigd worden. De snelle vorderingen van de halfgeleidertechniek overziende, dringt zich de vraag op of deze ook nog zal leiden tot de oplossing van het probleem van de uitschakeling van een stroom bij zeer hoge gelijkspanning.'

Gaat deze oratie over details, of wordt de grote toekomst van vermogenselektronica en gelijkstroomtransport goed voorspeld? Een paar woorden worden gewijd aan een kernreactor die de Nederlandse elektriciteitsbedrijven samen zullen bouwen, want in 1965 is het niet meer vanzelfsprekend om centrales met kolen te stoken. Bij de volgende oratie, die van P. Mostert in 1979, is kernenergie de hoofdzaak geworden en komt het transportnet niet meer ter sprake. Kort na het ongeluk bij Harrisburg kan deze zaak echter niet mooi worden voorgesteld en komt de vraag op of het beter is om toch maar met kolen verder te gaan.

Bij kolen lopen we een groter gevaar dan we ons bewust zijn. Zo kan Mosterts argument worden samengevat. De mijnbouw vergt immers slachtoffers, door de CO2-uitstoot zal het rond de eeuwwisseling een graad warmer zijn geworden, in 1985 zal 1,4 miljoen ton SO2 worden geloosd terwijl de ontzwaveling van rookgassen nog geleerd moet worden, ook NOx werkt verzurend en bovendien zullen 2 tot 4 miljoen ton as en slakken met zware metalen een gezondheidsprobleem opleveren. 'Bij kernenergie ligt het gevaar in de centrale zelf. Het proces speelt zich in de directe omgeving af, zodat mensen zich meer bedreigd kunnen voelen. De toekomst zal leren of dit gevoel van onveiligheid ooit geheel kan worden weggenomen. (...) Gezien de potentiële mogelijkheden van kernenergie meen ik dat deze energiebron alle aandacht moet blijven houden. ln de wereld zijn op het ogenblik 225 kernreactoren in bedrijf. Daarnaast zijn er nog 300 in aanbouw. Dit kan men niet negeren.'

Wat kan in 1991 aan deze misschien niet wetenschappelijke, maar wel duidelijke visies toe worden gevoegd? Inzicht in de markt van gebruikers die, zoals men zegt, aan een voorziening trekt, terwijl de techniek er van de andere kant tegenaan duwt? Die twee werken niet noodzakelijkerwijs in dezelfde richting. Omdat zoiets ontbreekt zijn de visies bezijden de technisch-sociale werkelijkheid zoals die zich ontwikkelde. Zeker, de regel der besparingen die Van Staveren noemt geeft er iets van weer, evenals het gevoel van onveiligheid dat Mostert noemt. Maar waar was de visie dat die besparingen tot de terugkeer van decentrale opwekking zouden leiden, en dat dit gevoel van onveiligheid de bouw van kerncentrales zou verhinderen?

Zelf zal ik me geen visie op de markt voor de elektriciteitsvoorziening veroorloven. Ik citeer alleen een recent Arnhems beleidsstuk en tot slot zet ik drie feiten op een rij.

Uit het beleidsstuk: 'In de post-industriële samenleving wordt voor dezelfde produktie steeds minder energie gebruikt, maar het gebruik van elektriciteit neemt toe. Het is door de veelzijdigheid van de toepassingen een gewild artikel. De groeiende belangstelling voor elektriciteit leidt tot nationale en internationale concurrentie in de elektrische industrie. Elk bedrijf zal streven naar minimale produktiekosten en naar een zo goed mogelijk onderhoud. Nu staan minimale kosten tegenover milieuschade, die lastig te kwantificeren is maar door regels, normen en wetten ingeperkt zal worden. De milieubescherming loopt in de rijke, dicht bevolkte delen van Europa voorop. Daar zal, door emissiebeperkende eisen, de produktie duurder worden en de prikkel het grootst zijn om het anders dan vroeger te gaan doen. Het zoeken van schone produktiemethoden zal leiden tot een grote diversiteit. Men doet het zus of zo, optimaliserend naar plaats- en tijdgebonden voorwaarden. Er is immers niet een enkele door de natuur of de techniek gedicteerde methode om elektriciteit te maken.'

Dan het eerste feit: het decentraal opgewekte deel van de elektriciteit in Nederland is tot 1/6 gegroeid en het zal over tien jaar volgens het milieu-actieplan 1/3 zijn. Deze elektriciteit wordt in gasgestookte warmte-kracht installaties en met windturbines gemaakt. Toegevoegde gissing: als brandstofcellen en zonnecellen kostenbesparend worden, wordt dit deel groter dan 1/3.

Het tweede feit: het ingevoerde deel van de elektriciteit in Nederland is tot 1/6 gegroeid. Hiervoor dient het Europees transportnet, dat Van Staveren voorzag en dat verder wordt versterkt. Toegevoegde gissing: als Bekinks gelijkstroomlijnen mogelijk worden, wordt het ingevoerde deel structureel en groter dan 1/6.

Derde feit: het centraal opgewekte deel van de elektriciteit in Nederland dat rest komt bijna helemaal uit aardgas en 'schone' kolen. Het beeld van smerige kolen is door filtering, zuivering en (binnenkort) vergassing geen werkelijkheid geworden.

En dat is het dan.


Free web hostingWeb hosting