Succes-agenda bepaalde plaats van het RCN
Noordhollands Dagblad
Door: Bert de Jong
22 juli 2000
Geschiedenis van 'Petten' ging lang niet over rozen
Op 7 mei 1968 deed zich in de duinen van Petten een ernstig incident voor in de hogefluxreactor (HFR). Een capsule met uranium smolt. Forse hoeveelheden radioactieve gassen werden de schoorsteen uitgeblazen. In het reactorgebouw moest van alles grondig schoongemaakt worden. Dagenlang kwamen de operators van de HFR, wier kleren besmet raakten, het gebouw niet uit. Ze sliepen op veldbedden. Gelukkig was er een handboek voorhanden, waarin stond hoe verder onheil kon worden voorkomen.

Dit eerste serieuze nucleaire bedrijfsongeval in Nederland, wordt beschreven in het boek 'De Republiek der Kerngeleerden' van C. Andriesse. Het gaat over de geschiedenis van het Reactorcentrum Nederland (RCN), de voorloper van het huidige Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN), in de periode 1962-1984.

Het ging in 1968 mis tijdens een bestralingsexperiment ten behoeve van het Franse Commissariat de l'Energie Atomique (CEA). De oorzaak van het kernincident in '68 was 'niet verwacht menselijk falen'. Een slede met daarop de uraniumcapsule werd in de richting van de reactorkern verplaatst, inplaats van ervandaan. De operators hadden niet goed gekeken. Dat kijken in het reactorbassin gebeurde destijds met behulp van een verrekijker. Opgestoten Nederland moest in de jaren na de tweede wereldoorlog opgestoten worden in het nakende atoomtijdperk.

'Atoms voor peace'
Niet kolen, olie of gas hadden de toekomst als energiedragers, maar het vreedzaam en grootschalig toepassen van kernsplijting. Nederland wilde een eigen kernindustrie. Bij het RCN, goeddeels gefinancierd door het ministerie van economische zaken, werd nagedacht over en gewerkt aan ontwerpen voor reactoren, aan kernbrandstof, er werden instrumenten en materialen beproefd, enzovoorts. In Petten geloofde men heilig in de kernenergiemissie. Het was een spannende tijd. Er moest van alles ontdekt en ontwikkeld worden.

De HFR, maar ook het laboratorium voor sterk radioactieve objecten (LSO) leende zich uitstekend voor allerlei praktijkproeven. De kosten van dit alles gedroegen zich evenredig aan de hoge neutronenflux in de HFR; in 1965 was het budget 35 miljoen gulden, in 1984 130 miljoen. In de discussie die er altijd over kemenergie gevoerd is, was één van de hoofdargumenten van voorstanders 'dat het zo goedkoop was'. Terwijl tegenstanders steevast riepen dat allerlei kosten niet werden meeberekend (zoals de ontmanteling van afgedankte centrales en de opslag/verwerking van kernafval).

In het boek van Andriesse komt de inmiddels overleden H. Pelser, jarenlang technisch directeur van het RCN/ECN, de tegenstanders een eind tegemoet: "Dat kernenergie duur is, zag ik al in de jaren zestig.". Hij heeft die kennis knap verborgen gehouden. Ook toen hij in november 1962 samen met de toenmalige koningin Juliana een feestje vierde bij de ingebruikname van de hogefluxreactor. De calamiteiten in Harrisburg (Amerika) en Tsjernobyl (Oekraïne) maakten later duidelijk dat er ook op de veelgeprezen veiligheid van kernenergie het nodige viel af te dingen. 'Onverwacht menselijk falen' komt vaker voor dan de samenleving lief is.

Champagne
Andriesse geeft in zijn boek een fraaie typering van de HFR: 'een 40 meter hoge koepel, met ribben als een muselet om de kurk van een fles champagne'. De honderden RCN-personeelsleden bivakkeerden in hun sobere gebouwen in het duin 'tussen kraaiheide, buntgras, helm, en pathetisch gekrijs van duizenden meeuwen'. Hoe kwam 'de republiek der kerngeleerden' terecht in dat prachtige natuurgebied; destijds in beheer bij Staatsbosbeheer? H. Pelser: "De plek uitkiezen voor de HFR kon niet moeilijk zijn." De RCN-baas pakte zijn Succes-agenda, zocht een plek waar nauwelijks mensen woonden en concludeerde: "Het zit er dik in dat het Petten wordt." Zo ging dat klaarblijkelijk in die tijd. Een rustige, ietwat heimelijke plek, met een koelwaterleiding vanuit het Noordhollands Kanaal, en een lozingspijp de Noordzee in. Een professor Lupardi-achtige ambiance, uit de stripboeken van kapitein Rob. Met die lozingspijp, waardoor vloeibaar licht radioactief afval in zee wordt geloosd, ging het vanaf het begin trouwens mis. De pijp had last van knikken en lekken, waarna het spul lange tijd in bassins opgeslagen moest worden. Stillegging van de HFR dreigde toen al. Pelser wilde de inhoud van de bassins op het eigen terrein lozen. Daar werd ook een vergunning voor verstrekt. In 1964 waren de kinderziektes met de lozingspijp, 4 kilometer lang, voorbij. Het ding werkt nu nog! Er wordt, in verband met zich ophopend afval, momenteel wéér gepraat over het mogelijk stilleggen of sluiten van de HFR. Die 'existentiele onzekerheid' was er echter ook al in de jaren zeventig, toen de capaciteit van de reactor voor maar amper de helft werd benut omdat onderzoeksopdrachten ontbraken. Onder andere de nieuwe markt voor radioactieve isotopen ten behoeve van medische doeleinden, eerst aangeboord door Philips Duphar en sinds l978 door Mallinckrodt, bood soulaas. Nu is het zelfs hét argument om de onderzoeksreactor niet stil te leggen.

Bovenop de discussie over het voortbestaan kwamen medio jaren zeventig ook al vragen over het gebruik van hoogverrijkt uranium (toepasbaar in atoombommen) in de HFR. Hoe veilig was dat? Al in 1977 werd vastgesteld dat onderzoeksreactoren zoals de HFR -- zonder onacceptabel functieverlies -- omgebouwd konden worden (conversie) naar het gebruik van veel minder risicovol laagverrijkt uranium. De problemen waarmee de Pettense reactor thans worstelt, zijn direct terug te voeren op het decennialang rigide vasthouden aan het gebruik van dat hoogverrijkte uranium. Wetenschappelijk zijn er in de periode 1962-1984 in de republiek der kerngeleerden allerlei huzarenstukjes uitgehaald. Maar er moet ook veelvuldig en gefrustreerd met de tanden zijn geknarst. Van de nagestreefde eigen Nederlandse kernindustrie is weinig terecht gekomen. Projecten zoals de ontwikkeling van een gasgekoelde hoge temperatuurreactor (HTR), maar ook dat ten behoeve van een scheepsreactor (Nero), toe te passen in marineschepen, smoorden door ontwerpfouten en/of het dichtdraaien van geldkranen, danwel het afhaken van industriële partners, en afwijkende politieke keuzes. Er zijn veel teleurstellingen geweest. Ook marktgerichte activiteiten, zoals het produceren van kernbrandstof (Vibrasol) door het bedrijfje 'Interfuel' en van supergeleidend draad door 'Dutch Super Conductors' (DSC) waren geen lang leven beschoren.

Plutonium
En wat te denken van al het werk dat na het geflopte Nero-project jarenlang in Petten is verricht ten behoeve van de omstreden snelle natriumgekoelde reactor ('schnelle Brüter', met plutonium als brandstof~ in het Duitse Kalkar? In 'De Republiek der Kerngeleerden' doet Andriesse daarover een pikant stukje geschiedenis uit de doeken.

Ten behoeve van een Kalkar-experiment hadden de kerngeleerden in Petten in 1968 honderd kilo hoogverrijkt uranium nodig, maar geld voor de aankoop was er niet. Daarom leende men de poen, met de panden in de duinen van Petten als onderpand! Het gevaarlijke spul werd -- vandaag de dag ondenkbaar -- aangevoerd in een gewoon aanhangwagentje achter een personenauto. Na afloop van het experiment werd de hoogverrijkte uranium weer verkocht. Door een crash van de dollar bleef men in Petten echter zitten met een verliespost van 1,5 miljoen gulden. De kerngeleerden in Petten hebben in het bijzonder een bijdrage willen leveren aan de altijd betwistte veiligheid van de kweekreactor in Kalkar. Het project werd een ongekend fiasco. Op 10 april 1991 viel, pal voor de ingebruikname, definitief het doek. Zo'n zeven miljard gulden was er in geinvesteerd door Duitsland, Nederland en Belgie. Maar de politiek durfde het niet aan. De centrale in Kalkar is nu een pretpark: 'Kernwasser Wunderland'.

Vrachtwagens
Tenslotte het radioactieve afval. Het RCN/ECN moest van de overheid al het Nederlandse radioactieve afval inzamelen. Uit laboratoria, kerncentrales en ziekenhuizen. Het werd, met beton, in stalen vaten geperst en ging via Petten in gewone vrachtwagens naar IJmuiden, en dan naar zee. Die zeedumpingen begonnen in 1970 en zouden tot en met 1982 duren. De kapiteins van de schepen die het afval als deklast vervoerden, bepaalden volgens 'De Republiek der Kerngeleerden' zelf waar ze de vaten overboord kieperden. Dat kon in principe overal zijn, mits de zee op de dumpplek maar flink diep was. Vooral bij harde wind wilden de gezagvoerders de onfrisse deklast zo snel mogelijk kwijt.

De afvalbeslommeringen leidden soms tot problemen. Zoals in 1972 met een lekkend vat uit Dodewaard, en in 1972 toen een partij radioactief afval uit Zwitserland treinwagons besmuikte. In het geval van het lekkende vat uit Dodewaard werd de houten betimmering van het binnenvaartschip dat de troep van Dodewaard naar IJmuiden bracht dusdanig hesmet dat die er in de haven van Schagen uitgesloopt moest worden. Schoonmaken ging niet, de radioactiviteit was in het hout getrokken.

'De Republiek der Kerngeleerden', auteur C. Andriesse. Uitgeverij Betatext, ISBN 90 75541 05 8, prijs f 49,50. Verkrijgbaar in de boekhandel.