Totale verwarring over wetenschap en kunst

Door Marcel Hulspas
Gepost op 14:00 zondag 17 mei 2015 Thema Kennis
RECENSIE - het-verborgen-veld
Ambitie kan nooit kwaad. Dus wanneer Cees Andriesse op de cover van zijn boekje 'Het verborgen veld'; belooft dat hij ‘Een nieuwe geschiedenis van de natuurkunde’ gaat bieden, dan klinkt dat heel uitdagend. Maar dan moet je wel weten wat je gaat schrijven.

Contra Kuhn

Direct in het begin gaat het al mis. Andriesse’s poging in de inleiding om de aard van dat ‘nieuwe’ een beetje filosofisch te omschrijven, loopt hopeloos vast. Eerst rekent hij af met de wetenschapsfilosofie van Thomas Kuhn, die grote nadruk legde op revolutionaire breuken in de geschiedenis van de wetenschap. Andriesse wijst erop dat dat een minderheidstandpunt is:

Ontdekkingen hebben een logica. Ze worden niet zomaar gedaan. Het kan in het midden blijven welke wetenschapsfilosofen dat sinds jaar en dag betogen. Het zijn er vele. ‘Wetenschappelijke kennis is zelfs los te zien van groepen mensen,’ schrijft één van hen. ‘Ze kan als een systeem van theorieën worden opgevat waar we aan werken zoals metselaars een kathedraal opbouwen.

Kuhn is inmiddels allang achterhaald, maar die ‘vele’ waar Andriesse het over heeft, lopen ondertussen ook behoorlijk achter. Die bouw-metafoor is al net zo ouderwets en onjuist. Ze is wellicht verleidelijk voor een oppervlakkige geschiedschrijving van de wiskunde of de theoretische natuurkunde (maar ook daar: niet geldig); ze is volledig onbruikbaar voor een wetenschap als, zeg, psychologie of sociologie.

Wat ‘vele’ volgens Andriesse ook zeggen, geen enkele wetenschap is een in alle rust harmonieus opstijgende kathedraal. Maar goed, Andriesse wil met deze metafoor vooral afstand nemen van het idee van Thomas Kuhn, waarvan hij denkt dat diens denkbeelden de geschiedschrijving nog domineren:

Het wordt tijd om de geschiedenis van de natuurkunde niet te zien als een reeks revoluties, maar weer als een reeks met elkaar samenhangende ontwikkelingen. Dat is de kathedraal die langzaam steen voor steen, wordt opgemetseld.

Niets nieuws

Tegelijkertijd wil hij externe invloeden niet negeren, zo blijkt. Hij noemt Dijksterhuis’ beroemde boek ‘De mechanisering van het wereldbeeld‘ onbevredigend omdat deze ‘de maatschappelijke achtergrond negeert’. Hij wil dat niet doen - en denkt blijkbaar dat hij daarmee iets nieuws brengt:

Wat volgt is, denk ik, iets nieuws: een postmoderne geschiedenis van de natuurkunde. Géén geschiedenis à la Kuhn. [...] Wie ‘postmodern’ meteen met ‘vaag’ in verband brengt, moet ‘oeverloos’ of ‘dubbelzinnig’ mag er ‘postscientistisch’ voor in de plaats zetten, een lelijk woord dat niettemin precies laat zien wat het betekent. Het betekent dat het niet langer mogelijk is de wereld te zien als een mechanisme dat met wetenschap, scientia, volledig te verklaren is.

Hier raken alle ankers los. Is het inderdaad nieuw om in de wetenschapsgeschiedenis rekening te houden de ‘maatschappelijke achtergrond’?

Een eeuw geleden misschien wél, ja. Maar geen geschiedenis der wetenschap is denkbaar zonder Inquisitie, industriële revolutie of Tweede wereldoorlog. Is die opvatting postmodern? Nee, daar heeft daar niets mee te maken. Als iets postmodern is, mag je dan ook postscientistisch zeggen? Het een is het afwijzen van absolute waarden; het andere bestaat niet. Scientisme bestaat wél: dat is de overtuiging dat de werkelijkheid volledig wetenschappelijk beschreven zal kunnen worden. Maar wat dat met postmodern of de geschiedenis van de wetenschap te maken heeft… gewoon niks. Andriesse draaft hier volkomen door.

Wat is dan het ‘iets nieuws’ dat de lezers van dit boekje krijgen voorgeschoteld?

De lezer krijgt een mijmerende wandeling, afgewisseld met een aantal gesprekjes met oude bekenden, in Groningen (waar hij gewerkt heeft); een overzichtje van de inhoud van een belangrijk werk in de optica, de Kitab al-Manazir van Alhacen; een door Andriesse gefingeerde passage uit de memoires van een achttiende-eeuwse geleerde; vervolgens enige aardige maar volstrekt niet revolutionaire biografische essaytjes over Van Swinden en Faraday; een voor niet-ingewijden volstrekt onbegrijpelijk stuk over het werk van Hendrik Lorentz, idem een stuk over Einstein (Andriesse meent alle natuurkunde zonder formules of tekeningen uit te moeten leggen - het resultaat is vaak onleesbaar); dan een herinnering aan een ontmoeting met de beroemde fysicus Hannes Alfvén, en tot slot een stuk over… kunst.

Afgezien van wat alleraardigste herinneringen en veel hopeloos geploeter in de tuin der natuurkunde komt de lezer niks echt ‘nieuws’ tegen. Geen visie, geen program. De mooie belofte, de fraaie filosofische omschrijvingen uit de inleiding, blijken nergens voor nodig. Dit lijkt sterk op een bundeling van verweesd geraakte stukjes. Maar waarom dan die ronkende inleiding? Dat tromgeroffel op de cover?

Kunst

Tot slot is er dus de kunst. Al bij het betreden van dit hoofdstuk slaat de verwarring ongenadig hard toe. Ik citeer de start van dat hoofdstuk, en een lang stuk, om duidelijk te maken wat ik bedoel. Even doorzetten alstublieft:

We zouden er veel mee gewonnen hebben als we ook zonder ingewikkelde redeneringen begrijpen konden dat kunst en de natuurkunde samenhangen. Ja, in wezen één zijn. Ze tonen beide het ontoonbare!

Dat is mijn stelling.

Kunst - zijn we het erover eens wat dat is? Voor ons, maar ook in algemene zin, is kunst elk ding, elk maaksel en elke compositie waar een bijzondere esthetische waarde aan kan worden toegekend. Het gaat om die waarde, niet om het ding op zich.

En zo duidelijk als het is dat alleen die waarde telt, zo duidelijk is het ook dat de een er dit van vindt en de ander dat - alsof ze iets toevalligs is. Zeggen we daarom zo vaak ‘over smaak valt niet te twisten’? Maar die wijsheid is geen wijsheid. Ze is een sofisme. Een dooddoener. Er wordt wel degelijk over getwist, niet zelden zelfs hartstochtelijk.

Wat in esthetische waardeoordelen altijd een rol speelt is voor het eerst beschreven in Anfangsgründe aller schönen Wissenschaften, een boek van Baumgarten uit 1735.* Daar is echter niet veel meer van te leren. Als het gaat om de gedachten en gevoelens die we hebben bij een artefact, een kunstproduct, dan zijn ze tijdgebonden en spelen de eigen ervaringen erin mee. Laten we ons daarom beperken tot de ideeën van vandaag de dag.

Dat kunst het tonen van het ontoonbare is, of, zoals het in 1984 gezegd is, La presentation de l’irrepresentativité, is een formulering van Lyotard, uit een boek waarin gesteld werd dat ‘kunst naar nieuwe vormen moet zoeken, niet om van te genieten, maar om het onbereikbare sterker weer te geven’.

Die formulering was gevonden nadat een geestverwant, Derrida, ervoor gepleit had ‘dat onze maaksels zowel de ervaring (het empirische) als het onbereikbare (het transcendente) tot uitdrukking moeten brengen, en dat het probleem is dat het transcendente er nooit toe komen kan zich helemaal duidelijk uit te drukken, terwijl het empirische nooit vrij kan zijn van sporen van het transcendente’. Hoe is het werkelijke dan toch te tonen? Dat kan, meent Lyotard, als het verstand ons naar een buitenzintuiglijke werkelijkheid verwijst die niet doelmatig en ook niet aangenaam of mooi is.

Als een kunstenaar tegenwoordig het ontoonbare wil tonen, zegt daarom een hedendaagse kunstfilosoof, dan is de voorstelling verwrongen, negatief, en onbegrensd. Technologische vernieuwing heeft ons niet alleen welvaart gebracht, maar ook bedreigingen en ongekende risico’s. Beck heeft ze in 1986 in zijn Risikogesellschaft op een rij gezet, zakelijk maar angstaanjagend - we leven, schrijft hij op een beschavende vulkaan. Wat kan de gevoelige kunstenaar van nu anders doen dat het onvoorstelbare oproepen, het ontoonbare tonen? Hij neemt afstand van onze consumptiecultuur, waar niets er meer toe lijkt te doen en ook het onnozelste massa-artikel een kick moet geven.

Hier zet ik even een streep. Dit zijn bijna twee pagina’s uit ‘Het verborgen Veld’. En zo gaat het nog 33 (!) pagina’s door. Op dezelfde chaotische wijze.

Semi-intellectuele hutspot

Wat wil Andriesse bewijzen? Dat wetenschap en kunst één zijn, omdat ze het ‘ontoonbare’ tonen. Is dat abstractieniveau nog veelzeggend? Zijn de acteur en de groenteboer ‘in wezen één’ omdat ze ons allebei willen behagen? Is kunst echt een ‘ding’ met esthetische waarde, of is dat een cirkelredenering? Wat heeft smaak daarmee te maken? Waarom moet die Baumgarten genoemd als-ie niet bruikbaar is? Is Andriesse’s ‘ontoonbare’ hetzelfde als Lyotards onbereikbare transcendentie die moeite heeft zichzelf uit te drukken? Het lijkt me sterk. Wat doet Beck hier ineens, en waar komt die ‘gevoelige kunstenaar’ vandaan? Moeten we echt geloven dat ‘gevoelige’ kunstenaars de consumptiemaatschappij afwijzen? Grote kunst en commercie hebben elkaar al lang omarmd. Kortom, waar gáát dit over?

En zo volgen nog drieëndertig pagina’s met deftige kruimels, van Russell, Poincaré, Levi-Strauss, Sloterdijk (die streng wordt toegesproken: niet helder genoeg), de dichter Rilke komt zelfs voorbij, et cetera. Drieëndertig helaas niet door te komen pagina’s. Een semi-intellectuele hutspot. Is dit nu ‘een nieuwe geschiedenis van de natuurkunde’? Och jeetje.

Cees Andriesse, Het verborgen veld. Een nieuwe geschiedenis van de natuurkunde. Uitgeverij Atlas Contact, 24,99 euro.


*Noot van de redactie: Anfangsgründe aller schönen Wissenschaften (in latere, herziene uitgaves Anfangsgründe aller schönen Künste und Wissenschaften getiteld) is geen werk van Alexander Gottlieb Baumgarten, maar van diens leerling Georg Friedrich Meier. Het werd ook niet in 1735 gepubliceerd, maar in drie delen tussen 1748 en 1750.

Baumgarten publiceerde wel twee werken in 1735, maar dat waren zijn dissertatie en Meditationes philosophicae de nonnullis ad poema pertinentibus (een essay over de esthetiek van het rijmvers). Het heeft er alle schijn van weg dat Andriesse dit laatste boekje verhaspelt met het hoofdwerk van Meier.